HOU COMMERCIËLE ACTIVITEITEN STRIKT GESCHEIDEN VAN ONTWIKKELINGSPROJECTEN.

Dat stelt Mirjam Vossen in haar artikel Kapotte bus en leeg kippenhokAfrikakenner TON VAN DER LEE is het daar niet mee eens. In zijn nieuwe boek Kinderen van Afrika beschrijft hoe hij mét inwoners van Sanouna een moestuin en een viskwekerij opzet, om een schoolvoedselproject te financieren.  Lees hieronder zijn verhaal.

Een vissersdorpje in Mali waar ik al jaren kom raakte enkele jaren geleden in moeilijkheden. Er werd steeds minder vis gevangen en de vissen werden steeds kleiner. Dat kwam door de vooruitgang: er was een asfaltweg naar de rivier gebouwd en dus stuurden steeds meer handelaren uit de hoofdstad, zeshonderd kilometer verderop, koelwagens naar de streek. Alle vis werd opgekocht en kreeg daarom niet meer de tijd om volwassen te worden en zich te vermenigvuldigen. Een eeuwenoud evenwicht werd verstoord. Nu waren de vissers van Sanouna (en hun lotgenoten in de andere dorpjes langs de rivier) de laatste kleine visjes aan het opeten en zou de rivier binnenkort zijn leeggevist.

Ik besloot iets te doen. In Nederland mobiliseerde ik vrienden, we richtten een stichting op en startten een hulpproject voor Sanouna. Driemaal per week werd er op onze kosten een gratis maaltijd verstrekt aan de kinderen van het dorp, die pas werd geserveerd na een Engelse les van anderhalf uur. (Engels wordt in Mali nauwelijks onderwezen maar is belangrijk voor de toekomst van de nieuwe generatie.) Eerst leren, dan eten, vanuit de gedachte: food for work.

Al tijdens de planning (we lazen vlijtig boeken en artikelen over particuliere projecten en bezochten bijeenkomsten) viel het magische woord ‘exitstrategie.’ We konden toch niet voor eeuwig geld blijven geven. Dat werkt hulpverslaving in de hand. We besloten om maximaal vijf jaar geld te blijven sturen. Daarna zou het project zichzelf moeten financieren.

MOESTUIN
In het tweede jaar, toen de keuken en de lessen goed draaiden, zetten we daarvoor de eerste stap. We legden op verzoek van de vrouwen van het dorp een grote, collectieve moestuin aan. De aanleg was op onze kosten, daarna zouden de vrouwen het onderhoud zelf financieren. Een deel van hun opbrengst ging in natura naar de keuken van het project en bij iedere oogst moest elke vrouw verder een vast bedrag in de kas van het project storten. Stap twee was de aanleg van een viskwekerij voor de mannen. Ook op onze kosten, maar met de afspraak dat een deel van de opbrengst naar het project zou gaan. Stap drie was de bouw van twee eenvoudige gastenkamers en een kleine camping. Het dorp ligt vlak bij het beroemde stadje Djenné, waar veel toeristen komen.

Inmiddels zijn we in het derde jaar. Onze kernactiviteit (drie gratis maaltijden en drie Engelse lessen per week voor ruim 50 kinderen) wordt deels gefinancierd door de commerciële activiteiten die we hebben ontwikkeld. Nu nog voor minder dan 50% maar hopelijk wordt dat meer. Voorlopig sturen we nog geld op uit Nederland maar al minder dan in het begin.

Onze boekhouder en tevens onderwijzer, de enige niet-analfabete volwassene van het dorp, houdt toezicht op de inkomsten en uitgaven maar is er niet verantwoordelijk voor. Dat is het dorpshoofd, die de uitgaves bewaakt en ervoor moet zorgen dat de vrouwen en de vissers daadwerkelijk geld afdragen. De dorpsgemeenschap is gezamenlijk eigenaar van het project en draagt in die zin de collectieve verantwoordelijkheid voor het feit dat hun kinderen gevoed worden en les krijgen. Zij controleren dus zowel de boekhouder als het dorpshoofd. Wij controleren vanuit Nederland de boekhouding, die elke maand wordt gemaild.

KRAAN DICHT
In haar boek Eerste hulp bij ontwikkelingswerk vertelt Mirjam Vossen (zie ook haar artikel elders in deze IS) in het hoofdstuk ‘Eens gaat de kraan dicht’ over de mogelijke problemen die PI’s kunnen verwachten als ze ter plaatse commerciële activiteiten ontwikkelen. Vanuit onze eigen ervaring heb ik de volgende adviezen:

Ik denk dat elk PI dat ter plaatse geld wil verdienen er ten eerste naar moet streven om dat te doen met activiteiten die al deel uitmaakten van de lokale cultuur maar verbeterd kunnen worden. Sommige dorpsvrouwen in Sanouna hadden al een tuintje (dat vaak mislukte omdat niemand een put, een hek en werktuigen kon betalen). De vissers groeven in magere tijden wel vaker een kuil waar ze dan wat moddervis in kweekten. (Nu hebben ze een betonnen reservoir van 600 kubieke meter tot hun beschikking).  Ook het ontvangen van toeristen was niet helemaal nieuw, aangezien er al eeuwen een stroom van buitenlanders naar Djenné trekt, tegenwoordig voor de architectuur, vroeger voor de ‘heilige mannen’ van de stad.  Vroeger sliepen passanten in een rieten hutje, nu zijn er twee kamers met een bed en stromend water.

Ten tweede denk ik dat je het verdienmodel het beste kan laten uitvoeren door de mensen van het project zelf, omdat zij er het meeste belang bij hebben. Om corruptie tegen te gaan moet je vertrouwen op het systeem van checks and balances binnen de gemeenschap die van de opbrengst profiteert. Controleer zelf ook de boekhouding; de mensen beschouwen dit niet als een vorm van wantrouwen maar van gezond verstand.

GEMOTIVEERD
In haar artikel neemt Mirjam Vossen trouwens een ander standpunt in. Zij concludeert juist, dat commerciële activiteiten moeten worden uitgevoerd door professionele mensen buiten het project, omdat de mensen binnen het project daarvoor de capaciteiten niet hebben en het risico te hoog is dat er geld in verkeerde zakken verdwijnt. In ons geval lukt het wel om de lokale mensen geld met het project te laten verdienen, omdat ze zeer gemotiveerd zijn (het geld komt hun eigen kinderen ten goede), omdat iedereen elkaar met argusogen controleert, en omdat zij zelf al bedreven zijn in de soort activiteiten waar geld mee wordt verdiend.

Overigens is er wel een probleem waar we vooral in het begin tegenaan liepen: de dorpsbewoners vinden het (om allerlei redenen) soms moeilijk om de afgesproken bedragen ook werkelijk af te dragen. Vrouwen, die een deel van de opbrengst van hun oogst aan de kas van het project moeten afstaan doen dat vaak te laat, gedeeltelijk of pas na veel aanmaningen (lees: sociale druk). Hetzelfde geldt voor de vissers. Wij proberen dat op te lossen door druk vanuit de dorpsgemeenschap (iedereen weet wie de wanbetalers zijn) maar dat werkt niet altijd goed. Toch neemt de hoeveelheid geld die naar de kas stroomt met de tijd gestaag toe.  Het is waarschijnlijk ook een kwestie van wennen.

CONCURRENTIE
Mirjam Vossen adviseert ook om te onderzoeken of het project oneerlijk concurreert met andere lokale mensen. Dat is inderdaad erg belangrijk. In ons geval zou elk dorp langs de rivier eigenlijk een viskwekerij en een grote moestuin moeten hebben en zelfs dan zou er nog geen sprake zijn van oneerlijke concurrentie.

Zij wijst er ook op, dat het project geen ‘cadeautjes’ moeten geven. Ik ben het ermee eens, dat je zakelijk moet blijven. Dat begrijpt iedereen en vindt iedereen ook acceptabel, als je er maar onomwonden voor uitkomt. Wij hebben als stichting de moestuin, de viskwekerij en de gastenkamers gefinancierd, maar blijven eigenaar en ontvangen een vast percentage van alle inkomsten.

Samenvattend zou ik het volgende adviseren: laat je verdienmodel aansluiten bij de lokale cultuur; laat het uitvoeren door de mensen van het project zelf met een systeem van onderlinge controle; vermijd oneerlijke concurrentie; geef niets weg, wees zakelijk.

Blijft de vraag: als wij over een jaar of twee de ‘kraan dichtdraaien’, zal het project in Sanouna zichzelf dan kunnen bedruipen?  Om eerlijk te zijn weet ik dat niet zeker. We hebben ons best gedaan, echter, een Malinees spreekwoord zegt: ‘Je kunt iemand een duwtje geven, maar hij moet zelf springen.’

Lees het interview met Ton van der Lee op de website van IS.